Op een zonnige middag loop ik de boekhandel uit en wil ik meteen via de stoep rechtsaf lopen naar de bushalte, als ik recht vóór mij geschreeuw hoor. Ik houd mijn pas een beetje in en kijk naar twee auto’s voor me. Parallel aan de stoep waar ik loop, is een fietspad. En parallel aan de andere kant van het fietspad zijn inparkeervakken, zodat je op de weg kunt fileparkeren. In één van die parkeervakken staat een zwarte SUV. Rakelings langs zijn auto, óp het fietspad, staat een zilverkleurig bestelbusje. Het geschreeuw begint uit het busje. De bestuurder van de SUV roept vanuit zijn geopende raampje geïrriteerd naar de jongen in de bestelbus wat nu eigenlijk zijn probleem is: ‘Ik sta toch gewoon keurig in het vak geparkeerd?’ Ik kijk en constateer dat dit klopt.
De jongen van begin twintig in het bestelbusje doet zijn raampje dicht en rijdt – óver het fietspad – verder met zijn busje. Ik loop langzaam door naar de bushalte, maar kijk wel steeds even achterom om te zien of hij geen schade aanricht. Hij parkeert ongeveer 5 meter verderop, nog steeds deels op het fietspad: als hij bij het inparkeren achteruit rijdt, raakt hij bijna een oudere vrouw die aan komt fietsen. Dat ging nét goed…! Ik ben inmiddels een meter of twintig van de jongen verwijderd, als ik weer achterom kijk, hij uitstapt en over de straat naar mij roept: “Kan ik je ergens mee helpen of zo?! Dat je zo naar me zit te staren…hè?! Kan ik je helpen ofzo?!” Even twijfel ik of ik dat stuk terug loop. Maar ik zie enerzijds de boosheid in zijn blik en anderzijds de bus die eraan komt. Ik moet nog flink doorstappen, wil ik die halen. En dat wil ik. Ik besluit hem te negeren en door te lopen.
Als ik even later zelf in de bus zit, komen er allemaal dingen in mij op die ik had kunnen zeggen. Bijvoorbeeld: “ik wilde juist vragen of ik jóú kon helpen met het uitleggen van de verkeersregels”. Of: “ik weet natuurlijk niet wat voor vervelends jij vandaag – of eerder – hebt meegemaakt: weet dat jij elke minuut zélf kunt kiezen om de dingen anders te doen”. Al snel ben ik blij dat ik deze opmerkingen niet heb gemaakt, want ze hadden weinig positiefs opgeleverd in het gesprek, vermoed ik.
Ik denk opeens aan de ouders van deze jongen en aan zijn leerkrachten. Zou hij ouders hebben? Hoe zou hij vroeger als kind zijn geweest? Wat zou hij hebben meegemaakt dat hij zó vijandig reageert terwijl hij zelf degene is die de regels overtreedt? Is het zijn coping mechanisme? Heeft hij moeten leren dat direct in de aanval de beste verdediging is? Hoe was dat in de klas, heeft hij zijn school afgemaakt of is hij voortijdig gaan werken? Ik zal het nooit weten…
Verder kijken dan gedrag, dat is belangrijk. En ik realiseer mij opeens dat goede leerkrachten, die ik ken, dit eigenlijk elke dag doen. Elke dag kijken zij voorbij de woorden, de boosheid van een kind, de weerstand of het masker dat door een kind wordt opgezet. Goede leerkrachten vragen zich steeds af: wat probeert dit kind mij te vertellen?
In een wereld waarin er van leerkrachten zó veel verwacht wordt tegenwoordig en er ook zoveel ouders – met goede bedoelingen – een beroep op de leerkracht doen, hoop ik dat ze deze kwaliteit nooit verliezen: de kwaliteit om achter gedrag te kijken en daardoor een veilige setting te blijven bieden waarin elk kind zich gezien voelt en zich kan ontwikkelen.
Vandaag is het De Dag Van De Leraar en sta ik extra stil bij al die leerkrachten en docenten die kinderen niet alleen kennis bijbrengen, maar hen elke dag opnieuw laten ontdekken dat ze keuzes hebben. Dat je niet bent wat je overkomt, dat je méér bent dan jouw gedrag van dit moment. Én dat je, hoe lastig soms ook, altijd opnieuw kunt beginnen.
Vanuit de bus kijk ik nog één keer achterom. De bestuurder van het bestelbusje heeft, zonder verdere schade, het fietspad weten te verlaten en zit weer op de juiste weg. Ik hoop het echt voor hem.
